Roze toilet met witte bril in een badkamer met roze tegels. Op de spoelbak staat een klein bruin doosje.

Werken aan zindelijkheid

Ik denk dat zindelijkheid misschien wel één van die onderwerpen is waar ouders veel stress van kunnen krijgen. Zeker wanneer school dichterbij komt en het nog niet gelukt is om je kind zonder luier naar buiten te laten gaan.

Zelf merk ik dat er ook een cultuur van schaamte omheen kan zitten. Stiekem hoor je op verjaardagen toch wel vaak de opmerking: "Die van x is nog niet zindelijk hé, en die moet naar school." De insinuatie is dan dat de ouder gefaald heeft, te laat begonnen is of niet consequent genoeg is.

Maar het is goed om te beseffen dat zindelijkheid eigenlijk vraagt om héél veel kleinere vaardigheden. Het is niet één knop die omgaat, maar een complex proces waarin je kind allerlei signalen, handelingen en prikkels moet leren herkennen, begrijpen en verwerken. En niet te vergeten: het wordt een stuk makkelijker als een kind verbaal kan communiceren. En dus een stuk moeilijker als dat (nog) niet lukt.

Voor neurodivergente kinderen kan dat proces anders lopen. Niet omdat ze niet willen, of omdat ouders niet genoeg geoefend hebben, maar omdat zindelijkheid veel meer vraagt dan alleen weten hoe de wc werkt. Je kind moet bijvoorbeeld voelen dat het moet plassen of poepen, kunnen stoppen met spelen, de overgang naar de wc aankunnen, kleding aan- en uittrekken, op de wc durven en kunnen zitten, prikkels verdragen en daarna ook nog handen wassen.

Dat zijn héél veel stappen. En als één of meerdere van die stappen lastig zijn, kan zindelijkheid ineens veel minder vanzelfsprekend worden dan het van buitenaf lijkt.

Omdat ons kind een negatieve associatie had met het geluid van de afzuigkap op onze wc, maakte ik een wc museum.

Zindelijkheid bestaat uit een hele hoop lagen

Zindelijkheid is een mijlpaal. Maar eigenlijk zitten er dus heel veel verschillende lagen onder. En — zoals bij alles op deze blog — niet alle kinderen volgen hetzelfde pad.

Het kan zijn dat een kindje wel nieuwsgierig is naar de wc, maar motorisch nog moeite heeft met kleding aan- en uittrekken of met balans houden op het potje of de wc. Of misschien heeft een kindje moeite met de planning: weten welke stap na welke stap komt. Sommige kinderen willen pas iets doen wanneer ze zeker weten dat ze het al kunnen. En sommige kinderen voelen hun lichaamssignalen nog niet duidelijk genoeg om op tijd te reageren.

Daarom helpt het om zindelijkheid niet te zien als één vaardigheid, maar als een proces met meerdere lagen. Leeftijd speelt mee. Motorische vaardigheden spelen mee. De omgeving speelt mee. En het sensorische systeem speelt mee.

Leeftijd

In de periode tussen de 18 en 24 maanden wordt vaak gesproken over een sensitieve periode voor zindelijkheid. Rond die leeftijd tonen veel kinderen interesse in naar de wc gaan, het potje, doortrekken, handen wassen of mee willen doen met wat grote mensen doen.

Dat kan een goed moment zijn om rustig te beginnen met kennismaken. Niet per se met een strak trainingsschema, maar bijvoorbeeld door woorden te geven aan wat er gebeurt, je kind mee te nemen in de routine, een potje neer te zetten of samen boekjes te lezen over naar de wc gaan.

Maar een sensitieve periode betekent niet dat elk kind tussen 18 en 24 maanden ook klaar is om zindelijk te worden. Het betekent vooral dat er bij veel kinderen een soort opening ontstaat: interesse, nieuwsgierigheid of meer bewustzijn van het lichaam.

Sommige kinderen hebben op dat moment nog niet alle vaardigheden die nodig zijn. Ze kunnen misschien nog niet goed hun broek naar beneden doen. Ze vinden de overgang naar de wc moeilijk. Ze voelen nog niet op tijd dat ze moeten plassen. Of ze begrijpen wel wat de bedoeling is, maar kunnen het nog niet uitvoeren wanneer het nodig is.

Dat is belangrijk om te benoemen, omdat ouders soms het gevoel krijgen dat ze “het moment gemist” hebben. Alsof er één perfecte periode was en het daarna te laat is. Maar zo werkt ontwikkeling niet. Kinderen kunnen ook later leren. Soms vraagt het alleen een andere route, meer voorbereiding of meer ondersteuning.

 

Promotieafbeelding voor “WC-achtergronden voor zindelijkheidstraining”. Op een lichte achtergrond staan vier voorbeeldafbeeldingen van wc-achtergronden waarop bekende kinderfiguren zijn geplakt, zoals een Teletubby, een raceauto en cartoonhondjes. De voorbeelden laten zien hoe ouders de achtergronden kunnen personaliseren met het favoriete karakter van hun kind.

 

Motorische vaardigheden 

Zindelijk worden vraagt ook motorische vaardigheden. En die worden nog weleens onderschat.

Een kind moet bijvoorbeeld naar de wc kunnen lopen, op het potje of de wc kunnen gaan zitten, balans kunnen houden, kleding omlaag en omhoog kunnen doen, eventueel afvegen, doortrekken en handen wassen. Dat zijn allemaal kleine handelingen die voor volwassenen vanzelfsprekend lijken, maar voor jonge kinderen best veel kunnen vragen.

Zeker bij neurodivergente kinderen, kinderen met een vertraagde motorische ontwikkeling of kinderen die onzeker zijn in hun lichaam, kan dit een belangrijke laag zijn. Een kind kan cognitief best begrijpen wat de bedoeling is, maar motorisch nog niet zelfstandig genoeg zijn om het soepel te doen.

Denk bijvoorbeeld aan een broek die te strak zit, een romper met lastige knoopjes, een wc die te hoog is, voeten die bungelen, of een kind dat zich niet stabiel voelt op de wc-bril. Dan kan de wc spannend worden, niet omdat je kind niet wil, maar omdat het lichaam nog niet genoeg steun ervaart.

Daarom kan het helpen om zindelijkheid praktisch te bekijken. Welke kleding maakt het makkelijker? Staat er een opstapje? Kan je kind met de voeten steunen? Is een potje fijner dan een wc? Kan je kind oefenen met broek omlaag en omhoog doen zonder dat er meteen geplast hoeft te worden?

Soms zit de vooruitgang niet in “vaker op de wc zetten”, maar in het makkelijker maken van de handelingen eromheen.

Omgeving

De omgeving is geen vaardigheid van je kind, maar heeft wel heel veel invloed op zindelijkheid. Poehh, dat hebben wij gemerkt hoor! Ons kindje heeft last van het geluid van de afzuigkap. Voordat wij daar achter waren, was het al te laat en was er een negatieve associatie ontstaan. De omgeving doet er dus toe.

Een kind kan thuis misschien rustig op het potje zitten, maar op de opvang of op school blokkeren. Niet omdat het ineens niet meer weet hoe het moet, maar omdat de omgeving anders is. Andere wc. Andere geluiden. Andere geuren. Andere volwassenen. Minder privacy. Meer haast. Meer prikkels.

Ook thuis kan de omgeving dus helpen of juist in de weg zitten. Staat het potje op een plek waar je kind makkelijk bij kan? Is de wc veilig en voorspelbaar? Kan je kind zelf bij de kraan? Ligt er reservekleding klaar? Is er genoeg tijd, of voelt elk wc-moment als haast?

Bij jonge kinderen helpt het vaak als de omgeving uitnodigt tot meedoen. Bijvoorbeeld doordat je kind zelf een schone luier kan pakken, zelf de broek mee omlaag kan doen, zelf op een opstapje kan klimmen of zelf de handen kan wassen. Niet omdat alles meteen zelfstandig moet, maar omdat je kind zo stap voor stap eigenaarschap kan ervaren.

Voor sommige kinderen is controle heel belangrijk. Dan kan het helpen om keuzes te geven binnen de routine. Wil je op het potje of op de wc-bril? Wil je eerst je broek zelf proberen of zal ik helpen? Wil je na het plassen zelf doortrekken of zal ik het doen?

Dat soort kleine keuzes kunnen veel verschil maken. Ze halen niet alle spanning weg, maar ze geven je kind meer grip op wat er gebeurt.

Sensorisch systeem

Het sensorische systeem speelt een grote rol bij zindelijkheid. Zeker bij neurodivergente kinderen.

Om zindelijk te worden, moet een kind lichaamssignalen kunnen opmerken. Dat noemen we ook wel interoceptie: het voelen van signalen van binnenuit, zoals honger, dorst, pijn, vermoeidheid, aandrang of spanning.

Sommige kinderen voelen pas heel laat dat ze moeten plassen of poepen. Dan lijkt het alsof een ongelukje “uit het niets” komt, terwijl het kind het signaal misschien echt niet eerder heeft opgemerkt. Andere kinderen voelen wel iets, maar kunnen dat gevoel nog niet goed plaatsen. Ze weten nog niet dat het gevoel dat ze hebben betekent dat ze naar de wc moeten.

Er kunnen ook externe prikkels meespelen. De wc-bril kan koud voelen. Het doortrekken kan te hard klinken. De wc kan sterk ruiken. Het licht kan fel zijn. Handen wassen kan vervelend zijn door water, zeep, temperatuur of het geluid van de kraan. En poepen op de wc kan spannend zijn, omdat je lichaam daarvoor moet ontspannen en iets moet loslaten.

Als een kind veel sensorische stress ervaart, wordt zindelijkheid moeilijker. Dat komt omdat het zenuwstelsel bezig is met veiligheid, spanning of overprikkeling. Daarom is het belangrijk om niet alleen te vragen: “Waarom doet mijn kind het niet?”, maar ook: “Wat ervaart mijn kind eigenlijk tijdens deze stappen?”

Misschien helpt een zachtere wc-bril. Misschien helpt een voetenbankje. Misschien helpt het om niet door te trekken terwijl je kind nog in de ruimte is. Misschien helpt een vaste volgorde. Misschien helpt een visueel stappenplan. Misschien helpt het om handen wassen apart te oefenen, los van het plassen of poepen.

Ook hier geldt: kleine aanpassingen kunnen groot voelen voor een kind. En het kan dus best een zoektocht zijn om uit te vinden wat er precies kan helpen.

Zindelijkheid gaat dus niet alleen over willen of niet willen. Het gaat over leeftijd, ontwikkeling, motoriek, omgeving, sensoriek, communicatie, voorspelbaarheid en vertrouwen. En als je dat eenmaal ziet, wordt het hopelijk ook wat makkelijker om met meer mildheid naar jezelf en je kind te kijken.

Promotieafbeelding voor “WC-icoontjes voor zindelijkheidstraining”. Onder de titel staan negen duidelijke pictogrammen met stappen voor de wc-routine: broek naar beneden, onderbroek naar beneden, poepen of plassen, afvegen met wc-papier, onderbroek aan doen, broek aan doen, doorspoelen, handen wassen en handen drogen.

Wie kan helpen bij zindelijkheid?

Ingewikkeld dus, als het niet wil lukken. Gelukkig zijn er mensen die kunnen meekijken. Je kunt altijd terecht bij je consultatiebureau en bij zorgen over de motorische ontwikkeling bijvoorbeeld bij je huisarts. Hebben jullie een ambulant begeleider? Dan kan die vast en zeker ook helpen. Het internet staat boordevol met tips over zindelijkheid. Wel belangrijk - wat mij betreft - om goed te kijken of ze ook neuro-affirmatief zijn.

Dat wil zeggen: wordt er gekeken naar wat jouw kind nodig heeft? Naar sensoriek, communicatie, motoriek, spanning en voorspelbaarheid? Of gaat het vooral over druk opvoeren, belonen, straffen of 'niet toegeven'? Bij zindelijkheid gaat het over het lichaam van je kind. Dan wil je hulp die vriendelijk, veilig en respectvol is. Niet gericht op zo snel mogelijk zindelijk worden, maar op begrijpen waar het vastloopt en welke stap nu haalbaar is.

Terug naar blog