6 redenen waarom wij niet aan oogcontact werken

6 redenen waarom wij niet aan oogcontact werken

Oké. Ja dit is dus the hill I will die on. Of zoals ik recentelijk las: someone will. Met meerdere hulp- en zorgverleners ben ik in gesprek gegaan om uit te leggen dat wij niet willen dat ons kind wordt getraind op oogcontact. En daar hebben we flink veel redenen voor. Maar laat ik beginnen met waarom dit überhaupt een thema werd in ons gezin. 

Wij hadden hulp nodig bij de taalontwikkeling van ons kind. De zorgverleners van het audiologisch centrum waar wij naartoe mochten kwamen tot de conclusie dat ze onz (nog) niet konden helpen. Reden daarvoor is dat volgens hen ons kind niet voldeed aan sommige van wat ze noemen communicatieve voorwaarden

Sidenote: ik probeer zo goed mogelijk om te gaan met wel waardevolle info delen voor andere ouders en niet mijn kind's privacy in gevaar te brengen. Dat is een super dunne lijn om te bewandelen. Sommige dingen die ik deel gaan eigenlijk helemaal niet over ons kind, maar over wat we tegenkomen. Oogcontact is er daar één van, dat doet 'ie namelijk wel. Deze blog deel ik vooral omdat wanneer professionals wél doen aan het trainen van oogcontact het betekent dat ze een behavioristische methode aanhouden van communicatie. Het is dan goed om skeptisch te worden op hun behandelmethoden. Oogcontact trainen op zichzelf is schadelijk, maar kan je dus ook zien als symptoom van niet-neuroinclusieve zorg.

Wat zijn dan die communicatieve voorwaarden?

Binnen sommige vormen van logopedie en vroege interventie wordt ervan uitgegaan dat een kind eerst bepaalde basisvaardigheden moet laten zien voordat er echt aan taal gewerkt kan worden. Die vaardigheden worden dan “communicatieve voorwaarden” genoemd.

Daar vallen meestal dingen onder zoals:

  • oogcontact maken
  • reageren op de naam
  • gedeelde aandacht (samen naar iets kijken)
  • beurtgedrag in interactie
  • het imiteren van geluiden of handelingen

Het idee is dat deze vaardigheden eerst aanwezig moeten zijn voordat een kind effectief kan leren communiceren.

Dat klinkt op het eerste gezicht misschien logisch. Maar het is belangrijk om te weten waar dit idee vandaan komt.

Veel van deze “voorwaarden” komen uit oudere, sterk behavioristische modellen van therapie en ontwikkelingspsychologie. In die modellen werd communicatie vaak gezien als iets dat je stap voor stap opbouwt: eerst bepaalde sociale gedragingen, daarna taal.

In de praktijk betekende dat vaak dat kinderen eerst moesten laten zien dat ze op een bepaalde manier reageerden — bijvoorbeeld door oogcontact te maken — voordat er verder werd gewerkt aan communicatie.

In de afgelopen decennia is er echter steeds meer kritiek gekomen op dit soort modellen, vooral vanuit autistische volwassenen, neurodiversiteit-onderzoek en moderne ontwikkelingspsychologie. We weten inmiddels dat communicatie veel breder is dan oogcontact of bepaalde sociale signalen. Mensen kunnen betrokken zijn, luisteren en betekenis geven aan interactie zonder iemand aan te kijken. Sterker nog: voor sommige mensen helpt het juist om weg te kijken zodat ze informatie beter kunnen verwerken.

Daarnaast wordt steeds duidelijker dat sommige van deze zogenaamde “voorwaarden” eigenlijk niet zozeer voorwaarden zijn voor communicatie, maar eerder neurotypische verwachtingen over hoe communicatie eruit hoort te zien. En wanneer je communicatie definieert op basis van die verwachtingen, loop je het risico dat kinderen die anders communiceren onterecht worden gezien als “nog niet klaar” voor hulp.

Dat gebeurde dus bij ons.

Vandaar dat ik deze blog voor je schrijf. En om te zorgen dat je zelf ook goed voor je kind kunt advocaten geef ik je alle redenen die ik kan bedenken, waarom het een bizar slecht idee is om actief te werken aan de 'vaardigheid' oogcontact maken.

Een kind dat niet aan deze ‘communicatieve voorwaarden’ voldoet, kan nog steeds aan het communiceren zijn

Er zijn heel veel andere manieren van communiceren dat een kind kan laten zien als die geen oogcontact maakt. Denk bijvoorbeeld aan het leiden van je hand. Het kind pakt dan je hand vast en brengt je naar hetgene wat hij wil dat je voor hem doet. Of hij wijst naar wat hij nodig heeft of waar hij aan denkt. Het kan ook zijn dat het kind communiceert met gezichtsuitdrukkingen, met ergens naar kijken, met geluidjes of intonatie. Er is van alles nodig. Taal is rijk.

Redenen waarom wij dus niet aan oogcontact werken

Reden 1: Oogcontact is niet nodig voor communicatie

De grootste mythe van de 'communicatieve voorwaarden' is wat mij betreft dat oogcontact nodig zou zijn voor communicatie. Ja, 'wij' (niet ik) vinden oogcontact fijn omdat we cultureel samen hebben besloten dat oogcontact een signaal is dat je naar de ander luistert. Maar horen doe je met je oren, niet met je ogen. Dus je kunt prima naar iemand luisteren zonder die persoon aan te kijken.

Sterker nog: voor sommige mensen lukt luisteren juist béter als ze niet ook nog hoeven kijken. Omdat kijken ook gewoon verwerking kost. Je bent dan niet alleen bezig met woorden verstaan, maar ook met gezichtsuitdrukkingen, timing, verwachtingen, sociale signalen en alles wat er visueel nog meer op je afkomt. Dat is nogal wat.

En los daarvan: als oogcontact echt een voorwaarde zou zijn voor communicatie, dan zouden blinde en slechtziende mensen dus ook een fundamenteel communicatieprobleem hebben. En dat is natuurlijk onzin. Mensen kunnen op ontzettend veel manieren contact maken, taal leren, relaties opbouwen en afstemmen op de ander. Oogcontact is daar één mogelijke vorm van, niet de basis van alles.

Wat we volgens mij veel te vaak doen, is een voorkeur verwarren met een voorwaarde. Veel mensen vinden oogcontact prettig. Prima. Maar dat maakt het nog niet noodzakelijk. En al helemaal niet iets wat je actief moet gaan trainen bij een kind dat op andere manieren óók gewoon contact maakt.

Communicatie gaat uiteindelijk niet over of iemands ogen op het juiste moment jouw kant op staan. Communicatie gaat over afstemming. Over betekenis. Over contact. Over gehoord en begrepen worden. En dat kan op heel veel manieren gebeuren.

Reden 2: Oogcontact is cultureel gebonden

Dat we oogcontact belangrijk vinden omdat we het zo samen hebben afgesproken laat al zien dat het eigenlijk een cultureel iets is. En in verschillende culturen wordt er op verschillende manieren waarde gegeven aan oogcontact. Zelf geef ik vaak het voorbeeld dat oogcontact in het Caribisch gebied een hele andere betekenis heeft. Dat heeft een connectie met het slavernijverleden (maar dat is voor een andere keer).

In veel culturen kan oogcontact dus ook worden gezien als brutaal. En dan is het helemaal niet vreemd als iemand dat niet graag maakt. Sterker nog: in zulke contexten kan het juist een teken van respect zijn om iemand niet recht aan te kijken. Wegkijken betekent dan niet dat je niet luistert, maar dat je de ander erkent in zijn of haar positie.

Dat laat eigenlijk heel mooi zien hoe relatief onze ideeën over communicatie zijn. Wat in de ene context wordt gelezen als betrokkenheid, kan in een andere context worden gezien als onbeleefd of uitdagend.

En toch behandelen we oogcontact in therapie en onderwijs vaak alsof het een universele basisvaardigheid is. Iets wat ieder kind moet leren om goed te kunnen communiceren. Maar als iets cultureel bepaald is, kun je je ook afvragen of het eerlijk is om dat als norm op te leggen aan ieder kind. Zeker wanneer dat kind om andere redenen al anders informatie verwerkt of sociale signalen ervaart.

Voor ons is dat een belangrijke reden om kritisch te zijn op het idee dat oogcontact iets is wat je simpelweg moet trainen. Want als de betekenis van oogcontact al zo sterk afhankelijk is van cultuur, dan kan het moeilijk een neutrale voorwaarde voor communicatie zijn.

Reden 3: Oogcontact kan overwhelming zijn

Als oogcontact je dan niet natuurlijk komt, kan het enorm overweldigend zijn. Kijk maar eens rond op sites en social media van autistische activisten. Zij benoemen vaak dat oogcontact voelt alsof iemand recht hun ziel in kijkt.

Ik begrijp dat wel. Zelf vind ik het moeilijk om mensen aan te kijken als ik zelf aan het praten ben. Veel te veel informatie terwijl ik me wil focussen op wat ik wil vertellen. Maar dat terzijde.

Oogcontact betekent een hele lading aan prikkels, informatieverwerking en sociale verwachtingen. En dat allemaal tegelijk. Je ziet iemands gezicht van dichtbij, vraagt je misschien af wat die allemaal denkt en bent tegelijk ook bezig of je zelf wel sociaal acceptabel aan het doen bent. Onderzoek naar autisme en oogcontact beschrijft ook dat oogcontact voor veel autistische mensen aversief of hyperarousing kan zijn, en dat het kan samenhangen met een sterke stressreactie in het brein. Sommige autistische mensen beschrijven zelfs dat oogcontact fysiek pijnlijk kan voelen. 

 

 

Reden 4: Oogcontact moeten maken kan cognitief heel zwaar worden

Je begrijpt het: als alles van reden 3 speelt dan is het nogal wat om jezelf toch te dwingen om oogcontact te maken. Dat is cognitief heel zwaar. Je doet namelijk drie dingen tegelijkertijd: kijken, luisteren en verwerken. 

Voor sommige mensen gaat dat vanzelf. Voor anderen niet. En als het niet vanzelf gaat, moet je brein daar actief energie in steken. Terwijl je eigenlijk al bezig bent met begrijpen wat er gezegd wordt.

Dat is een beetje alsof iemand tegen je praat terwijl jij ondertussen ook nog een ingewikkelde puzzel moet oplossen. Het kan misschien wel, maar het kost zoveel extra moeite dat er minder ruimte overblijft voor de rest van het gesprek.

Veel autistische mensen geven daarom ook aan dat ze beter kunnen luisteren wanneer ze niet hoeven te kijken. Wegkijken is dan geen teken van desinteresse, maar juist een manier om informatie beter te kunnen verwerken.

Wanneer we van een kind eisen dat het tegelijkertijd moet kijken, luisteren én begrijpen, leggen we dus eigenlijk een extra cognitieve belasting op de communicatie. En dan kan het zomaar gebeuren dat oogcontact — dat bedoeld was om communicatie te verbeteren — die communicatie juist moeilijker maakt. Dan lukt het helemaal niet meer om te luisteren en ziet het er alleen uit alsof het kind aan het luisteren is.

Reden 5: Oogcontact trainen kan maskeren stimuleren

Met alle redenen hiervoor, als je dan nog steeds van een kind eist dat ze contact moeten maken dan geef je een duidelijk signaal: doe maar gewoon zoals het hoort. En dat vind ik op z'n zachtst niet chique maar feitelijk gewoon schadelijk. Want wat je daarmee stimuleert is maskeren. Maskeren is wanneer iemand gedrag gaat laten zien dat sociaal verwacht wordt, terwijl dat niet vanzelf of natuurlijk voelt, om beter in de omgeving te passen of negatieve reacties te voorkomen.

De gevolgen zijn groot. Want het betekent dat iemand eigenlijk continu aan het acteren is. Zeker als van bijna al diens gedrag wordt gezegd dat het niet 'normaal' is en de persoon dus continu aan het maskeren is. Dit is wat we bij autisme vaak zien gebeuren. En dat het belangrijk is om te maskeren is wat we kinderen dus leren als we ze trainen op oogcontact terwijl het ze zo onnatuurlijk komt. 

Reden 6: Oogcontact trainen is bewezen stressvol en zelfs traumatiserend

En dan de laatste reden: oogcontact trainen en oefenen is dus bewezen stressvol en zelfs traumatiserend. Autistische volwassenen vertellen hier zélf al heel lang over. En steeds meer neurodiversiteit-affirmatieve professionals zijn daar ook heel duidelijk in.

Als je iemand steeds opnieuw dwingt om iets te doen wat overweldigend voelt, sensorisch belastend is, niet natuurlijk komt en ook nog eens veel cognitieve energie kost, dan is het eigenlijk niet zo gek dat dat stress oplevert. Sterker nog: het zou vreemd zijn als het géén stress zou opleveren.

En als een kind vaak genoeg leert dat het over diens eigen grenzen heen moet om “goed” te communiceren, dan kan dat zich veel dieper vastzetten. Dan gaat het niet meer alleen over ongemak. Dan gaat het over onveiligheid. Over het gevoel dat jouw natuurlijke manier van zijn niet oké is. Over steeds opnieuw leren dat je lichaam “nee” zegt, maar dat de omgeving toch “doe maar wel” verwacht.

Dat is precies waarom sommige autistische volwassenen later niet alleen spreken over stress, maar ook over trauma. Dit wordt in wetenschappelijk onderzoek ook echt gevonden. Voor mij is dat misschien wel de kern van alles. We kunnen wel zeggen dat iets een kleine sociale vaardigheid is. Dat het maar oogcontact is. Dat het toch nodig is om mee te gaan in de maatschappij. Maar als de prijs daarvoor is dat een kind leert om over zichzelf heen te stappen, om eigen signalen te wantrouwen en om authenticiteit in te ruilen voor sociaal wenselijk gedrag, dan vind ik die prijs onacceptabel.

 

Wil jij ook in gesprek met je zorg- of hulpverleners over het niet trainen van oogcontact? Deze brief kun je gebruiken om dat gesprek te openen. Het is een brief vergelijkbaar met de brief die ik opstelde voor onze eigen hulpverleners.

 

 

Terug naar blog