Hoe ziet opletten eruit?

Hoe ziet opletten eruit?

Soms hebben mijn man en ik een gesprek over een totaal niet interessant - denk ik - onderwerp voor kinderen. Wij zitten aan de keukentafel en de kinderen spelen in de woonkamer. Lekker helemaal in hun eigen spel. En dan ineens hoor ik de oudste iets herhalen wat wij zeggen.

En dan besef ik: ik dacht dat zijn volle aandacht bij zijn spel was, maar meneer was blijkbaar ook aandachtig naar ons aan het luisteren.

Aandacht kan er per persoon anders uitzien

Op het eerste gezicht leek hij dan helemaal geen aandacht voor ons te hebben. Maar dat heeft niets met zijn aandacht of gerichtheid te maken. Het heeft alles te maken met wat sociaal met elkaar is afgesproken over hoe aandacht eruit moet zien.

Er zijn namelijk allerlei gedragingen gekoppeld aan ‘goed opletten’: stilzitten, iemand aankijken, stoppen met waar je mee bezig bent, knikken om te laten zien dat je iets begrijpt. Dat zijn allemaal dingen die je kunt zien. Maar, aandacht is een cognitief proces; het gebeurt in je hoofd. En die twee zijn niet hetzelfde.

Dat onderscheid is belangrijk voor alle kinderen, maar zeker voor neurodivergente kinderen. Want juist bij hen kunnen aandacht, luisteren en communicatie er anders uitzien dan veel mensen verwachten. 

Waarom wordt iemand die oogcontact maakt sneller als aandachtig gezien dan iemand die naar de grond kijkt? Waarom lijkt een kind dat stilzit beter te luisteren dan een kind dat beweegt? Waarom wordt knikken gezien als een teken dat iemand begrijpt wat er wordt gezegd, terwijl het herhalen van een woord of zin misschien als storend gedrag wordt gezien? Dat zijn geen objectieve metingen van aandacht. Het zijn voor een deel sociale en culturele normen: gedragingen die binnen bepaalde sociale en culturele contexten zijn gaan gelden als manieren om aan elkaar te laten zien dat je luistert. Het zijn afspraken die voor sommigen goed werken, voor anderen niet.

Oogcontact is daar een goed voorbeeld van (je las hier al mijn frustratie over oogcontact). Hoeveel oogcontact als passend, beleefd of respectvol wordt gezien, verschilt tussen mensen en culturen. Toch wordt oogcontact regelmatig behandeld alsof het een universeel bewijs is dat iemand luistert en aandacht heeft. Ook op school bestaat vaak het beeld van een kind dat ‘goed oplet’. Het zit op z'n plek, kijkt naar degene die praat, houdt de handen een beetje rustig en reageert op de momenten waarop dat verwacht wordt. Het lastige is: daarmee wordt vooral zichtbaar welke kinderen voldoen aan de sociale verwachtingen rondom aandacht. Niet per se welke kinderen daadwerkelijk aandacht hebben.

Als aandachtig lijken juist aandacht kost

En daar wordt het voor neurodivergente kinderen extra belangrijk dat we afstappen van het ouderwetse beeld van aandacht. Als al dat gedrag niet natuurlijk komt, moet je namelijk gaan acteren. Ook wel genoemd: maskeren. En maskeren kost onwijs veel energie. Omdat je continue bewust nadenkt wat je moet laten zien.

Neem oogcontact. Voor sommige autistische mensen kan iemand aankijken intens of afleidend zijn. Wegkijken kan dan juist helpen om beter te luisteren en informatie te verwerken. Een kind met ADHD kan bewegen, friemelen of van houding veranderen terwijl het luistert. Een ander kind kan bepaalde bewegingen of stimming gebruiken om zichzelf te reguleren. Weer een ander kind verwerkt gesproken taal niet onmiddellijk en heeft tijd nodig voordat duidelijk wordt wat er van de boodschap is binnengekomen. En sommige kinderen kunnen door een fysieke, motorische, zintuiglijke of andere beperking het gedrag dat met aandacht wordt geassocieerd überhaupt niet, of niet op de verwachte manier, laten zien.

Ik herken dit trouwens ook bij mezelf. Als ik echt creatief aan het werk ben dan sta ik vaak bij mijn whiteboard. En dan loop ik door de ruimte, ga ik soms zitten, soms staan. En mijn armen bewegen en ik loop soms zelfs in patronen. Ik heb altijd gezegd: mijn lichaam beeldt dan uit wat mijn hersenen doen. En het helpt me enorm bij het nadenken.

Het bewegen helpt me om mijn aandacht te richten. Hetzelfde proces zou me veel meer moeite kosten als ik het stil achter mijn bureau moest doen. Dat kan ik wel, maar het kost me meer.

Dus hoe weet je dan of een kind oplet?

Eigenlijk moet de redenering worden omgedraaid. Niet: ik weet hoe aandacht eruitziet, dus aan jouw gedrag kan ik zien of jij aandacht hebt. Maar: ik wil ontdekken wanneer jij informatie daadwerkelijk oppikt en verwerkt. Als ik dat weet, kan ik leren hoe aandacht er bij jou uitziet.

Daarvoor moet je nieuwsgierig worden naar het individuele kind. Wat heeft het kind daadwerkelijk meegekregen? Begrijpt het wat de bedoeling is? Kan het met een instructie verder? Past het later informatie toe die eerder is verteld? Reageert het op iets wat gezegd is? Komt het er later uit zichzelf op terug? Ook daarbij is het belangrijk niet stiekem een nieuwe norm te creëren. ‘Vertel eens wat ik net gezegd heb’ klinkt bijvoorbeeld als een makkelijke manier om aandacht te controleren, maar om die opdracht uit te voeren moet een kind niet alleen hebben geluisterd. Het moet de vraag begrijpen, de informatie terughalen, deze onder woorden kunnen brengen en op dat moment kunnen reageren. Als dat niet lukt, weten we nog steeds niet automatisch dat het kind niet heeft opgelet.

Je moet een kind dus leren kennen. En dan kom ik weer terug bij mijn oudste die in de woonkamer zit te spelen. Dat hij ineens een woord of stukje van ons gesprek herhaalt, vertelt mij iets. Blijkbaar kwam dat binnen. Als ik dat vaker zie, leer ik iets over hoe aandacht er bij hém uit kan zien. Blijkbaar kan hij intensief bezig zijn met zijn spel en tegelijkertijd informatie uit een gesprek verderop in de ruimte oppikken.

En dat maakt dat herhalen ineens ook relevante informatie. Gedrag dat op het eerste gezicht misschien geen functie lijkt te hebben, of zelfs als storend wordt gezien, kan iets vertellen over hoe een kind informatie verwerkt. De vraag hoeft dan niet meteen te zijn: hoe zorgen we ervoor dat dit kind stopt met woorden herhalen? De eerste vragen kunnen zijn: waarom doet het kind dit? Wanneer gebeurt het? En wat vertelt dit gedrag? 

Soms is een kind natuurlijk gewoon afgeleid

Dit alles betekent natuurlijk niet dat ieder kind dat naar buiten kijkt stiekem uitstekend zit op te letten, dat iedere beweging helpt bij het concentreren of dat een kind nooit ondersteuning nodig heeft om de aandacht ergens op te richten. Kinderen zijn soms gewoon afgeleid. Kinderen kunnen ook daadwerkelijk moeite hebben met het richten, vasthouden of verschuiven van hun aandacht en daar ondersteuning bij nodig hebben.

Het verschil zit in de stap die daarna komt. Wordt op basis van zichtbaar gedrag aangenomen dat bekend is wat er in het hoofd van het kind gebeurt? Of wordt onderzocht wat het kind daadwerkelijk heeft opgepikt en wat het nodig heeft om aandacht te kunnen hebben?

Misschien moeten volwassenen beter leren kijken

Er wordt behoorlijk veel tijd gestoken in kinderen leren hoe ze moeten laten zien dat ze luisteren. Kijk naar mij. Zit stil. Stop even waarmee je bezig bent. Handen rustig. Kijk deze kant op. Een deel van die energie kan misschien beter worden gestoken in observeren, checken wat een kind daadwerkelijk heeft opgepikt, vragen wat helpt, patronen leren herkennen, eigen aannames onderzoeken en accepteren dat aandacht niet bij ieder brein en ieder lichaam hetzelfde zichtbaar hoeft te zijn.

Want uiteindelijk is het doel niet dat een kind eruitziet alsof het aandacht heeft. Het doel is dat het kan luisteren, begrijpen, verwerken, leren en deelnemen. Misschien hoeven kinderen daarom niet altijd beter te leren hoe aandacht eruit hoort te zien. Misschien moeten volwassenen beter leren zien hoe aandacht er bij verschillende kinderen uitziet.

Take aways voor ouders

Probeer te ontdekken hoe aandacht er bij jouw kind uitziet, in plaats van je kind te leren hoe aandacht eruit hoort te zien. Dat begint vooral met observeren. Wanneer merk je achteraf dat je kind veel meer heeft meegekregen dan je dacht? Misschien kijkt je kind weg tijdens een gesprek, maar reageert het wel precies op wat je zegt. Misschien wordt er ondertussen gespeeld of getekend. Misschien zie je veel beweging of hoort het herhalen van woorden of zinnen erbij. Dat zijn allemaal dingen om nieuwsgierig naar te worden.

Probeer daarbij onderscheid te maken tussen wat je ziet en wat je denkt dat het betekent. ‘Mijn kind kijkt uit het raam’ is iets anders dan ‘mijn kind luistert niet’. ‘Mijn kind antwoordt niet’ is iets anders dan ‘mijn kind heeft me niet gehoord’. Check dus waar mogelijk wat er daadwerkelijk is binnengekomen, zonder daar meteen een testmoment van te maken. Kijk bijvoorbeeld of je kind verder kan met wat je hebt verteld, er later op terugkomt of op een andere manier laat merken dat de informatie is verwerkt.

En misschien wel de belangrijkste: wees voorzichtig met het corrigeren van gedrag dat niet past bij hoe aandacht er volgens de sociale norm uitziet. Vraag jezelf eerst af: zit dit gedrag het luisteren of leren daadwerkelijk in de weg? Als je kind beter luistert terwijl diens handen bezig zijn, waarom moeten die handen dan stil? Als wegkijken helpt om gesproken taal te verwerken, waarom is oogcontact dan nodig? En als een bepaalde beweging, stim of herhaling een functie heeft, wat gebeurt er dan wanneer je die probeert te stoppen?

Take aways voor onderwijsprofessionals

Voor onderwijsprofessionals ligt hier een belangrijke professionele opdracht: maak onderscheid tussen waarneembaar gedrag en de interpretatie daarvan. ‘De leerling kijkt tijdens mijn instructie niet naar mij’ is een observatie. ‘De leerling is niet betrokken bij mijn instructie’ is een conclusie. Die conclusie kan kloppen, maar moet eerst onderzocht worden.

Dat betekent ook kritisch kijken naar de eisen die tijdens een instructie worden gesteld. Welke gedragingen zijn daadwerkelijk noodzakelijk om het leerdoel te bereiken en welke zijn vooral onderdeel van het traditionele beeld van een leerling die goed oplet? Een leerling hoeft niet automatisch stil te zitten, de spreker aan te kijken of de handen stil te houden om informatie te kunnen verwerken. Voor sommige leerlingen kunnen juist bewegen, wegkijken, tekenen, friemelen, staan of stimmen onderdeel zijn van de omstandigheden waaronder luisteren en leren beter lukt.

Leer daarom het aandachtsprofiel van een leerling kennen. Observeer over verschillende situaties heen: wanneer blijkt dat informatie goed is binnengekomen? Wat deed de leerling op dat moment? Welke omstandigheden helpen? Wanneer lukt het juist niet? Bespreek dat waar mogelijk met de leerling zelf en met ouders of verzorgers, die misschien gedrag herkennen dat in de klas verkeerd wordt geïnterpreteerd.

En reflecteer ook op je eigen bias. Een rustige leerling is niet automatisch een aandachtige leerling. Een bewegende leerling is niet automatisch een afgeleide leerling. Een leerling die onmiddellijk antwoord geeft heeft niet automatisch beter geluisterd dan een leerling die verwerkingstijd nodig heeft. Vraag jezelf regelmatig af: weet ik dat deze leerling niet oplet, of ziet diens aandacht er niet uit zoals ik verwacht dat aandacht eruitziet?

Uiteindelijk zou de vraag in het onderwijs niet moeten zijn: hoe krijg ik deze leerling zover dat die eruitziet alsof die oplet? De veel relevantere vraag is: wat heeft deze leerling nodig om informatie te kunnen opnemen, verwerken en gebruiken?

 

Terug naar blog