Wil ‘ie niet? Kan ‘ie niet? Of durft ‘ie niet?

Wil ‘ie niet? Kan ‘ie niet? Of durft ‘ie niet?

Het onderscheid tussen willen, kunnen en durven heeft me heel veel gebracht. Vooral die toevoeging van durven. Want ik had eigenlijk vooral altijd twee dingen in het vizier: een kind wil iets niet, of een kind kan iets niet.

Tijdens gesprekken met behandelaren kwam daar die derde bij: durven. En ik merkte dat ik daar zelf veel minder automatisch aan dacht, maar hem juist wel heel vaak tegenkwam. Dus misschien helpt dit onderscheid jou ook. Om wat beter te kunnen inschatten: wil mijn kind dit niet, kan mijn kind dit niet, of durft mijn kind dit niet?

Niet willen

Soms wil een kind iets gewoon niet. Dat is eigenlijk heel logisch, maar ik denk dat we dat van kinderen toch vaak niet accepteren. Als volwassene mag je heel veel dingen niet willen. Je hoeft niet iedereen een hand te geven, je hoeft niet overal aan mee te doen, je hoeft niet altijd sociaal te zijn en je hoeft ook niet alles leuk te vinden wat iemand voor je bedacht heeft. Bij kinderen framen we dat vaak anders. Als je een dagje door de Efteling loopt - doen wij vaak - hoor je al snel ouders die het framen als koppig, lastig, vervelend of zeuren.

Maar soms is niet willen gewoon precies dat: ik wil dit niet. Dat betekent natuurlijk niet dat een kind altijd overal zelf over kan beslissen. Sommige dingen moeten nou eenmaal. Voor de veiligheid of voor de gezondheid. Maar ook dan vind ik het belangrijk om niet automatisch te denken dat niet willen iets is wat we moeten oplossen. Misschien wil een kind iets niet omdat het saai is, vervelend voelt, omdat het ergens anders mee bezig is of omdat het gewoon geen zin heeft. Dat hebben volwassenen ook. En soms is niet willen ook gewoon een grens.

Niet kunnen

Dan is er niet kunnen. En ook dat is minder zwart-wit dan het lijkt. Want ja, soms kan een kind iets gewoon nog niet. Veters strikken bijvoorbeeld, of een bepaalde handeling uitvoeren. Maar soms zeggen we: hij kan het wel, terwijl we eigenlijk bedoelen: ik heb hem het eerder zien doen.

En dat is niet helemaal hetzelfde.

Een kind kan iets thuis wel kunnen en op school niet. In stilte wel en in een drukke ruimte niet. Met één opdracht wel en met vijf dingen tegelijk niet. Na een goede nacht wel en na een lange dag niet. Met hulp wel en zelfstandig niet. Dus als iemand zegt: maar hij kan het wel, vraag ik mij dan ondertussen af: wanneer dan? Onder welke omstandigheden? Met hoeveel ondersteuning?

Want kunnen is niet alleen een vaardigheid die je wel of niet bezit. Het hangt ook samen met wat er op dat moment van je gevraagd wordt. Als je moe bent, overprikkeld bent, veel taal moet verwerken, snel moet schakelen of niet goed begrijpt wat er precies van je verwacht wordt, kan iets wat je normaal gesproken kan ineens helemaal niet meer lukken. En dat vind ik zelf een belangrijke, omdat we kinderen anders heel snel verwijten dat ze iets niet doen wat ze volgens ons allang zouden moeten kunnen. En dan lijkt het dus op niet willen.

Niet durven

En dan dus niet durven. Die stond bij mij veel minder op de radar, totdat behandelaren hem in een gesprek noemden. Een kind kan iets willen. Een kind kan het misschien zelfs prima kunnen. Maar dat betekent nog niet dat het het ook durft.

Misschien is iets nieuw. Misschien is er eerder iets vervelends gebeurd. Misschien weet het kind niet goed wat er gaat gebeuren. Misschien is het bang om iets fout te doen. Misschien voelt een ruimte of een persoon niet veilig. Misschien is iets lichamelijk spannend. En niet durven ziet er lang niet altijd uit als angst. Dat is denk ik precies waarom we hem zo makkelijk missen.

Een kind kan boos worden, weglopen, grapjes gaan maken, ineens heel druk worden, weigeren, stilvallen, zeggen dat iets stom is of doen alsof het hem helemaal niks interesseert. En dan denken wij misschien: hij wil gewoon niet. Terwijl het eigenlijk kan zijn: ik durf niet. En als dat het geval is, vraagt dat dus ook iets anders van ons. Niet overtuigen of harder duwen, maar veiligheid, voorspelbaarheid, vertrouwen, tijd en misschien kleinere stappen.

En soms weten we het gewoon niet

Volgens mij is dit ook belangrijk: je hoeft niet altijd meteen te weten welke van de drie het is. Soms weet je het gewoon niet. En dan is het nog steeds helpend om ze langs te lopen. Zodat je jezelf onderschept voordat je automatisch denkt: hij wil niet.

Want dat is vaak wel de snelste conclusie. Misschien wil het kind inderdaad niet. Maar misschien kan het niet. Of misschien durft het niet. En misschien spelen er zelfs meerdere tegelijk. Alleen al die twijfel toelaten kan ervoor zorgen dat je net iets anders kijkt.

Maar moet het eigenlijk wel?

En dan zit er voor mij nog één vraag achter: moet het eigenlijk wel?

Want ik vind willen, kunnen en durven een nuttig onderscheid. Maar ik wil het niet gebruiken als een trucje om uit te zoeken hoe we een kind uiteindelijk alsnog kunnen laten doen wat wij willen. Dat zou voor mij weer precies de verkeerde kant op gaan.

Dus stel dat een kind iemand geen hand wil geven. Dan kunnen we gaan nadenken: wil het niet? Kan het niet? Durft het niet? Maar misschien moeten we eerst vragen: waarom vinden wij eigenlijk dat het moet?

Moet een kind iemand aankijken als die tegen hem praat (nee)? Moet een kind blijven zitten om te laten zien dat het luistert (nee)? Moet een kind iedereen begroeten op de manier die wij beleefd vinden? Moet een kind meedoen omdat de rest meedoet?

Soms is het antwoord ja. Sommige dingen horen bij veiligheid, gezondheid of samenleven. Maar soms is het antwoord ook gewoon nee. En dan hoeven we misschien helemaal niet op zoek naar waarom een kind het niet wil, kan of durft.

Dan mogen wij onze verwachting aanpassen.

Terug naar blog